Waarde in de eerste wereldoorlog
Een verslag in tekst en beeld, met dank aan Tona Verburg.
De directe aanleiding van de Eerste Wereldoorlog was de moord op de kroonprins van Oostenrijk-Hongarije, Frans Ferdinand. Hij werd tijdens een bezoek in Servië op 28 juni 1914 vermoord. De 28ste juni kan dan ook gezien worden als het begin van de oorlog. Uiteindelijk waren er 33 landen met elkaar in oorlog. De gruwelijkheden van de Eerste Wereldoorlog zijn Nederland grotendeels bespaard gebleven, dit kwam omdat Nederland voor strikte neutraliteit had gekozen. Dit betekende echter niet dat er niets van de oorlog te merken was. Militairen werden, vanaf 31 juli, gemobiliseerd om de grenzen tegen een Duitse of Engelse aanval te bewaken. Op de eerste dag van de maand augustus wordt de mobilisatie in Nederland met klokgelui bekendgemaakt. In Nederland gaan de mannen met niet al te groot enthousiasme onder de wapenen (zie afbeelding 1). Zelfs de in Waarde geboren Frans Louissen ontving aan de andere kant van de oceaan een “cablegram” met als onderwerp “FURLOUGH RECALLED-TAKE IMMEDIATE UP ARMS”. Frans stuurt een antwoord naar de burgemeester en wethouders van Waarde. Want hij was in 1902 naar de Verenigde Staten geëmigreerd en had in 1910 de eed afgelegd om de wetten van dit land te gehoorzamen.

Afbeelding 1: Uit de Nieuwe Zeeuwse Courant van 1-8-1914.

Afbeelding 2
Al snel gaan soldaten tot het straatbeeld op de Bevelanden behoren (zie afbeelding 2). Allerlei plaatsen en objecten van strategische betekenis werden bewaakt. Mensen krijgen te maken met inkwartiering van soldaten. Op foto’s gemaakt tijdens de mobilisatietijd in Waarde zien we veel militairen met het nummer 41 op het hoofddeksel. Ze waren ingedeeld bij het 41st bataljon landweer infanterie (militairen van het 6e regiment infanterie werden na hun actieve diensttijd ingedeeld bij het 40e en 41e bataljon landweer infanterie). “Kwartiergevers” kregen een financiële tegemoetkoming. Voor het stallen van een kar of wagen f 0.10 per dag en voor een rustkamer f 0.25.
Ook de Waardse schietvereniging “Oefening Kweekt Kunst” kreeg te maken met de mobilisatie. Ze moesten hun geweren die ze in bruikleen hadden inleveren bij de artillerie. Echter ze hadden er 2 ingeleverd. De artillerie had hun administratie goed op orde. Op 20 augustus 1914 kreeg de vereniging het bevel om de overige 6 geweren, per ommegaande, in te leveren.

Afbeelding 3: Uit het fotoboek van Mevr. Adrie Cornelisse-Blaauwkamer, met haar woorden: ook bij opa en oma lagen soldaten op zolder. Op de foto staat mijn vader (Marien Blaauwkamer) als klein jongetje tussen zijn vader (Adriaan Blaauwkamer, de slager) en moeder (Maria Maas). Tante Kee (Kornelia Jakoba Blaauwkamer) en tante An (Anna Blaauwkamer) zijn de twee boerenmeisjes. Opa had voor mijn vader een houten geweertje gemaakt, waarmee jij speelde met de soldaten. Voor een kind was dat een hele belevenis.
Op (afbeelding 4) zien we een foto van de familie van Houte-Molendijk met ingekwartierde soldaten. Ze woonden in de Westveerpolder (in Waarde beter bekend als “ut poldertje”) De zittende man met hoed is Marinus, daarnaast dochtertje Johanna van Houte, daar weer naast moeder Pieternella van Houte-Molendijk. Rechts met hondje is Leendert Krijnsen, een halfbroer van Johanna, want moeder Pieternella was eerder getrouwd geweest met Gerard Krijnsen.

Afbeelding 4

Afbeelding 5: De volgende foto, van de 4de compagnie van het 41st bataljon, is genomen achter het voormalig café “de Zwaan” (nu Mauritsstraat 16) van de familie Verburg-Traas (Dirk en Tona) onder het genot van een glaasje Hulstkamp kruidenbitter.

Afbeelding 6

Afbeelding 7: In die tijden werd er druk gecommuniceerd, via ansichtkaarten, met het thuisfront. Kennelijk had de militair J.C. Simon, tijdens de mobilisatie, het meer naar zijn zin bij de familie Nieuwenhuize te Krabbendijke. Hij stuurde vanuit Waarde een kaartje (zie hier boven) naar de familie met de plaats van zijn nieuw kantonnement.

Afbeelding 8
Een van de grote gevolgen van de oorlog was dat in het najaar van 1914 grote delen van België ontvolkt raakten, omdat iedereen op de vlucht sloeg voor het oorlogsgeweld.
Op 7 oktober 1914 begint de driedaagse beschieting van Antwerpen. Bij deze aanval zetten de Duitsers twee 420 mm kanonnen in. De zogenaamde Dikke Bertha’s. Burgemeester Welleman uit Krabbendijke beschrijft in “Het verslag van het provinciaal comité tot hulpverlening aan vluchtelingen in Zeeland, augustus 1914 – 1 juli 1915” hoe dat aan de kant van Zuid-Beveland werd beleefd. Indrukwekkende woorden:
De achtste October brak aan, de dag van “ het bombardement”, de dag van den val van Antwerpen! Zooals op vele plaatsen in onze provincie maakten ook wij hier dit ontzettend gebeuren a.h.w. van nabij mede in het veld, op straat, ja zelfs in huis was elke uitbarsting der kanonnen hoorbaar, vandaar dat haast alle werk stil lag en de menschen, in zenuwachtig gedoe, te hoop liepen om dit onvergetelijke oogenblik in de wereld geschiedenis onder elkander te bespreken en zoo ten volle mede te leven! “Naar Bath!” Daar kon men niet alleen hooren, maar zelfs zien het vernielend werk van het moderne geschut. Is het te verwonderen, dat velen daarheen trokken? Is het niet verklaarbaar, dat ook de burgemeester en verscheidenen zijner mede-comitéleden daar waren, om nog meer van nabij de worsteling eener wereldstad mede te maken? Verklaarbaar is het! Want onvergetelijk bij elken toeschouwer zal het blijven, het zien van een brokje ellende, die de oorlog medebrengt. Te zien, dat een wereldstad leeg loopt! Voorbij zien varen die elkander snel opvolgende kasten met duizenden bemand, van onder tot boven volgepropt met menschen, vluchtelingen, die niet wetende waarheen, op hoop van zegen, zich eenvoudig aan het toeval hebben overgegeven.

Afbeelding 9 en 10: Bericht uit de krant van 6-10-1914, de betrouwbare bron was goed op de hoogte want twee dagen later ontving de burgemeester een bericht van aankomst.

Afbeelding 10
Rond Antwerpen stonden twaalf zwaar bewapende forten. Deze forten zouden de stad moeten verdedigen alleen waren ze niet bestand tegen dit grote geweld. Op 10 oktober geeft Antwerpen zich over. De beschietingen hebben drie dagen geduurd en de meeste inwoners zijn ondertussen gevlucht.
In totaal kwamen ruim 650000 vluchtelingen naar Zeeland, binnengekomen langs de grens met Zeeuws Vlaanderen, over de Schelde en met de trein (zie kaart). In alle Zeeuwse plaatsen werden steuncomités opgericht om de vluchtelingen te verzorgen, echter geen van de gemeentebesturen was op een dergelijke humanitaire ramp voorbereid.
In hetzelfde verslag kunnen we lezen hoe het in het eerste jaar van de oorlog in Waarde is verlopen:
Door het gemeentebestuur alhier was in het laatst van September schrijven ontvangen van het comité voor vluchtelingen te Goes, dat eerstdaags de eerste vluchtelingen verwacht konden worden, waarop door genoemd bestuur een zestal heeren werden uitgenoodigd om bij de ingezetenen een bijdrage te vragen teneinde in de eerste hulp te kunnen voorzien. Deze daartoe bereid zijnde, hebben aanvankelijk een bedrag van ƒ 233.70 ingezameld, wat met nagekomen giften is gestegen tot f 303.35. Hiermede achten zij hun taak afgeloopen.
Op verzoek van den Burgemeester echter werden zij uitgenoodigd zich met de verdere leiding te willen belasten waarop een comité voor vluchtelingen werd opgericht n.l. J.J. Mol, voorzitter; M. Allewijn, secretaris; D. Boone, penningmeester; C. Bal, A. Mol en G. van Harn als leden. Voor de ontvangst der vluchtelingen werd in gereedheid gebracht een schoollokaal, benevens een leeg staand gebouw van de Gereformeerde gemeente te Krabbendijke. Dit achtte men voldoende daar indertijd door het gemeente bestuur was opgegeven een twintigtal vluchtelingen te kunnen herbergen. Den 9den October kwamen van uit Goes de eerste vluchtelingen aan, 24 in getal, welke in de vorengenoemde lokalen werden onder gebracht. Dat deze ruimte niet lang voldoende zou zijn bleek reeds den anderen dag, daar ’s avonds niet minder dan 100 vluchtelingen werden aangevoerd op 7 wagens. Deze werden voornamelijk onder gebracht in schuren en bij sommige inwoners, na hen van de noodige levensmiddelen te hebben voorzien. Den 11den October kwamen weder 43 vluchtelingen aan, wat den volgenden dag nog met 96 vermeerderd werd en den 13den October met 22. Toen had de strooming opgehouden, althans geen vluchtelingen meer kunnende bergen, werden ze naar andere plaatsen doorgezonden, daar het aantal vluchtelingen nagenoeg 1/3 van de geheele bevolking der gemeente bedroeg. Alleen zijn op 30 October nog een 3-tal hier bijgekomen welke hier familie hadden gevonden, evenzoo één op 2 November, terwijl op 5 November nog één persoon is opgenomen welke ziekelijk was, doch hier familie had. Deze persoon is op 24 November daaraanvolgende overleden, het eenige sterfgeval onder de Belgische vluchtelingen in deze gemeente. Ook is op 1 januari 1915 nog iemand opgenomen welke hier familiebetrekkingen had, zoodat het grootst aantal vluchtelingen dat hier gehuisvest is geweest, 291 bedraagt. Hiervan hebben 34 geen ondersteuning genoten, een gedeelte na verloop van enkele weken, doch een groot gedeelte zoo niet het grootste, hebben voortdurend ondersteuning gehad.
Deze ondersteuning bestond voornamelijk in het verschaffen van brood, spek, koffie en vet, waar later nog kolen werden aan toegevoegd. Door de ingezetenen werden bereidwillig de noodige borden, lepels, vorkens, ketels, dekens enz. in bruikleen afgestaan. Al spoedig deed zich ook de behoefte aan schoon ondergoed gevoelen, waarop door eenige dames een rondgang in de gemeente werd gedaan tot het inzamelen van oude kleedingstukken, beddegoed en dergelijke, met het resultaat dat aan diverse aanvragen kon worden voldaan. Daar het verblijf in schuren op den duur wegens de koude onhoudbaar zou zijn, deed het comité naar geschikter gelegenheid omzien, en werd daarvoor de kerk aangevraagd der Hervormde gemeente, welke door heeren Kerkvoogden bereidwillig werd afgestaan en deze daarvoor in orde gebracht. Hoe geschikt deze ook was om ’s nachts in te logeeren, overdag bleek ze niet aan de verwachting te voldoen, daar er geen voldoende ruimte beschikbaar bleef om op den dag te vertoeven, hetwelk een reden was dat de meesten naar hunne oorspronkelijke kwartieren terug verlangden, en de meesten daaraan ook gevolg gaven. Daar het overal meer dan vol was, besloot het comite geen vluchtelingen meer aan te nemen, doch bij aanmelding desnoods voor een nacht logies te verschaffen, om den anderen morgen verder te laten trekken. Het getal derzulken bedraagt p.m. 65. Intusschen waren bij het Gemeentebestuur een tweetal circulaires ingekomen n.l. een van de Intercommunale commissie te Antwerpen, waarin den vluchtelingen werd aangeraden om terug te keeren naar Antwerpen, daar zij dit vrij konden doen en een van den Commissaris der Koningin in Zeeland, waarin Burgemeester en Comitéleden werden verzocht hen aan te sporen om daaraan gevolg te geven, wat tengevolge had dat reeds den 15den October enkelen vertrokken en zoo geleidelijk, zoodat einde der maand October het getal vluchtelingen reeds met p.m. 225 was verminderd en er nog ongeveer 70 overbleven. In de maand November vertrokken nog ruim 40 vluchtelingen terwijl er 27 den geheelen winter zijn gehuisvest geweest. Door het Centraal comité te Goes is eenmaal een bezending gedragen kleeren verschaft, doch niet in voldoende hoeveelheid voorradig zijnde werd het nog ontbrekende aangevraagd bij het Provinciaal Comité te Middelburg en in goede orde ontvangen.
In het begin werd door de vluchtelingen met een zekeren schroom aan vrage om kleedingstukken gedaan, doch spoedig bleek deze overwonnen te zijn, daar de aanvragen dagelijks begonnen in te komen, zoodat het comité besloot om de 14 dagen gelegenheid tot aanvrage te doen. Ook waren sommige aanvragen zoo ruim gesteld dat menigmaal van de lijst geschrapt moest worden, zijnde het comite er van overtuigd dat het geen behoefte was.
Het overgroote meerendeel der vluchtelingen heeft zich steeds behoorlijk gedragen, alhoewel enkelen de vrijmoedigheid hebben gehad om bij vertrek, niettegenstaande zij er op gewezen werden, enkele nieuwe lakens, welke zij in bruikleen hadden ontvangen, mede te nemen. Over het algemeen hebben zij zich steeds dankbaar getoond voor den steun hen verleend, toch was een merkbare verandering waar te nemen bij degene die nog in de gemeente waren gebleven, enkelen niet te na gesproken, zoodra de ondersteuning had opgehouden. Ook op zedelijk gebied liet het in den laatsten tijd bij enkelen van de laatst overgeblevenen wel wat te wenschen over wat van dien aard was dat hun een verder verblijf in de gemeente werd ontzegd.
Deze zijn of naar Engeland, of naar Breda vertrokken, voordat ze naar een der kampen zijn overgebracht.
Een gezin, (man, vrouw en kind) zijn naar het kamp te Ede vertrokken, terwijl het kind later bij de grootouders is teruggehaald. Aan één vrouwelijk persoon wordt nog ondersteuning verleend, terwijl nog 11 mannen, vrouwen en kinderen in de gemeente zijn blijven wonen.
J. J. MOL, Voorzitter.
M. ALLEWIJN, Secretaris.
D. BOONE, Penningmeester.

Afbeelding 11: Bericht uit Zeeuw van 13-10-1914. Na de aanval op Antwerpen vluchtten ongeveer 35.000 Belgische militairen de grens met Nederland over. Omdat Nederland tijdens de Eerste Wereldoorlog neutraal was, moesten alle buitenlandse soldaten worden geïnterneerd.

Afbeelding 12: Uit het overlijdensregister van de gemeente Waarde
Zoals te lezen is in het verslag werd op 5 november “nog één persoon is opgenomen welke ziekelijk was, doch hier familie had”. Het was Frans Polycarpus Cloetens, op 18 juni 1899 geboren te Mechelen en op 24 november overleden te Waarde (zie afbeelding 12).

Afbeelding 13: in de Middelburgse Courant van 28 november staat een “verslag” van zijn begrafenis te Waarde. Zie ook afbeelding 15 en 16.
Al op 17 oktober kreeg men het bericht “Nu het Duitsche opperbevel den terugkeer van de Belgische vluchtelingen heeft toegestaan”. Terugkeer moest worden bevorderd, met als gevolg dat vóór de winter 264 van de 291 vluchtelingen Waarde weer hadden verlaten. Waarschijnlijk had de familie van de overleden Frans Polycarpus Cloetens een speciaal plekje in de harten van de Waardenaars. Twee van zijn zussen vertrokken pas in de zomer van 1915 (zie afbeelding 14).

Afbeelding 14

Afbeelding 15: De weg naar de “dodenakker” (links boven) rond 1920, met rechts (het grote huis met bomen) de pastorie.

Afbeelding 16: De voormalige pastorie, rond 1900.
De zin “Ook op zedelijk gebied liet het in den laatsten tijd bij enkelen van de laatst overgeblevenen wel wat te wenschen over, wat van dien aard was dat hun een verder verblijf in de gemeente werd ontzegd.” uit het verslag wekt de nieuwsgierigheid.
Een brief, d.d. 14 juni 1915, van de burgemeester aan de minister van buitenlandse zaken vermeldt meer details:
…. Marie Blodens, geboren 4 februari 1883, echtgenote van D. P. R. Bosien, gaat naar den zin van haar echtgenoot te familiair om met de militairen alhier gedetacheerd zoodat zij een paar keer een pak slaag van haar man heeft opgeloopen en buiten de deur is gegooid.
Philomena Jan Blodens, geboren 16 juni 1887, echtgenote van J. F. Godefroy, laatste genoemde bevindt zich thans in Engeland zoekt altijd het gezelschap van militairen aan den zeedijk plegen zij handelingen zooals te mijner kennis gebracht die van gehuwde lieden niet geoorloofd zijn.
Margaretha Engel, geboren 4 april 1889, wonende met haar zoontje bij haar ouders,
echtgenote van een krijgsgevangen in Duitsland staat evenmin gunstig aangeschreven omdat zij veel omgang heeft met militairen …..
En toch had het ministerie van binnenlandse zaken nog zo gewaarschuwd (zie afbeelding 17). Niet alles is altijd onder controle te houden.

Afbeelding 17
Het gemeentebestuur
Cornelis Thorenaar (zie afbeelding 18) was jarenlang wethouder en dijkgraaf van het Waterschap Waarde. In 1903 was hij benoemd tot burgemeester van Waarde en bleef dat tot aan zijn (plotseling) overlijden op 07-01-1918. Het waren drukke tijden voor de bestuurders, vele taken moesten onder militair gezag worden uitgevoerd. Veel documenten, met aan de oorlog verbonden regels en wetten zijn in het archief van de voormalige gemeente te vinden. Bijvoorbeeld:
- Het meewerken aan de paarden-, honden- en automobielvordering (zie afbeelding 19). Veldwachter Jasper Cornelis Looij zal wel de boodschapper zijn geweest van vele “blijde” boodschappen die door de gemeente moesten worden uitgevoerd. Gelukkig werd zijn jaarwedde aangevuld met een bonus voor de extra werkzaamheden (zie afbeelding 23 en 24).
- Opgave en vordering van diverse landbouwproducten zoals hooi en rogge. Boeren mochten een bepaalde hoeveelheid hooi behouden voor hun eigen veestapel, de rest werd geconfisqueerd voor het veldleger.
- Zorg dragen voor inkwartiering van de gemobiliseerde militairen (zie afbeelding 20 en 21) en soms ook paarden, bijvoorbeeld 33 paarden moesten in juni 1916, op de weg naar Cadzand, worden ingekwartierd. Cornelis was een groot liefhebber van paarden, het zal waarschijnlijk geen probleem zijn geweest.
- Of op zoek naar smokkelaars ….. (zie afbeelding 22).

Afbeelding 18: Burgemeester Cornelis Thorenaar (met ambtsketen) , zo te zien tijdens hoog bezoek te Waarde.

Afbeelding 19

Afbeelding 20

Afbeelding 21

Afbeelding 22

Afbeelding 23

Afbeelding 24: Jasper Cornelis Looij
Op de bon
Ondanks de Nederlandse neutraliteit wordt het in ons land, in de loop van de oorlog, steeds moeilijker om aan de eerste levensbehoeften te komen. Bij het uitbreken van de oorlog heeft de regering beloofd dat in Nederland geen honger zal worden geleden. Maar al snel moesten er maatregelen worden genomen.

Afbeelding 25: bericht uit Goesche courant van 20-07-1915.
Eind 1916, begin 1917 zijn sommige producten zijn nauwelijks nog verkrijgbaar. Om de nog beschikbare voorraad aan schaarse producten eerlijk te verdelen voert de, toenmalige, minister Posthuma, in heel Nederland de voedselrantsoenering in (distributiewet van 19 augustus 1916: “tot vaststelling van bepalingen in het belang van de volksvoeding en van eene doelmatige distributie van goederen”). Iedere burger moet op het gemeentehuis een legitimatiekaart ophalen. Op vertoon hiervan worden bonboekjes uitgereikt. Steeds meer producten komen op de bon: brood, melk, aardappelen, vlees, rijst, koffie, thee, vet, brandstof, schoeisel, leer en ga zo maar door. De minister bepaalt voor ieder product de hoeveelheid die iedere burger in een bepaalde periode krijgt.
Gelukkig zal, in het agrarisch dorp Waarde, niet alles schaars geweest zijn. In de archieven van de gemeente, over het jaar 1917, vinden we diverse correspondentie over de distributie van bijvoorbeeld regeeringsvarkens, regeeringsmeel, kaarsen en suiker (zie afbeelding 26).

Afbeelding 26
Waar wetten zijn, worden ze (soms jammer genoeg) overtreden. Ook in Waarde. In het archief vinden we een brief van L. de Looze. De L. was van “Leendert”, zijn vader (Minicus, overleden 11-02-1912,
weduwnaar van Maatje Reinhoudt, Maria Meijer en Neeltje Braam) was winkelier te Waarde. Leendert en zijn zus Neeltje Martha waren toen nog vrijgezel, het ligt voor de hand dat Leendert en zijn zus de winkel toen in beheer hadden. In juli van het jaar 1916 schreef Leendert een verzoek aan de “Rijks-commissie van toezicht op de suikervereeniging”, met het verzoek tot levering van enkele balen suiker. Nog geen week later werd zijn verzoek afgewezen. Hij had zijn toegewezen portie reeds ontvangen. Levensmiddelen mochten alleen worden verkocht tegen een vastgestelde maximum prijs. Enkele maanden later hadden broer en zus kennelijk weer een voorraad suiker. En daar had Neelje Martha gebruik van gemaakt (zie afbeelding 27 en 28).
Leendert was op 09-08-1879 geboren en op 22-01-1931 gehuwd met Geertruida Welleman. Later waren “Lindert en Geertje” leverancier van de petroleum in Waarde.
Neeltje Martha was op 15-08-1881 en op 01-06-1922 gehuwd met Jan van Houte.

Afbeelding 27

Afbeelding 28: uit de Goese Courant van 30-11-1916. Aan het begin van dat jaar was er in Waarde een commissie, bestaande uit enkele Waardse notabelen, aangesteld “voor het nagaan van de naleving der maximum prijzen te dezer plaatse”. Kennelijk had de commisie zijn taak volbracht.

Afbeelding 29: uit de Middelburgse Courant van 15-11-1917. Op vele manieren kon men de wet overtreden. Met een typefout in het bericht want later werd M. v. F. (Maarten van Fraassen) vrijgesproken van deze “misdaad”.

Afbeelding 30: uit de Goese Courant van 04-04-1918. En ach die arme veldwachter Looij, hij had de wind van voren gekregen van Aaltje Mol. Aaltje had samen met haar man Adriaan de Jager een bakkerij en winkel. Later is ze inderdaad vrijgesproken van deze “daad”.
Marinus Cornelis van Espen schreef, in 1918, zijn gedachten op papier:
De één zou beter voeding wenschen
Een ander die betaald te veel
De derde zegt wat doen de menschen
Zij spreken over het slechte meel
En wat kan ik U nog niet noemen
Misschien heeft U het al gezegd
Geloof maar vrienden k’zal niet roemen
Maar k’heb het ook al overlegd
Want dan ontbreekt het weer aan graan
En dan aan suiker, koffie of thee
En vleesch en spek waar haal ’t men vandaan
Bij de slager O! zeker maar dat valt niet mee

Afbeelding 31: uit de Middelburgse Courant van 12-01-1917. Een echte Waardenaar die denkt toch in oplossingen en niet in problemen.

Afbeelding 32: uit de Middelburgse Courant van 05-08-1918. Toch attent van de douaneambtenaren om de buit in bewaring te geven bij de burgemeester Cornelis Bal. Zouden alle ogen letterlijk “gericht zijn geweest op Kwatta”? Cornelis was landbouwer te Waarde en in april van dat jaar in functie als burgemeester.
Wapenstilstand, maar toch nog een strijd

Afbeelding 33: waarschijnlijk hadden de muzikanten in Waarde een “Vooruit” ziende blik. Want op 15-07-1918 stond in de Zeeuw het bijgaande bericht.
Om 11 uur op 11 november 1918 zwijgen de kanonnen, er werd tussen de strijdende partijen een wapenstilstand afgekondigd. Het totale aantal dodelijke slachtoffers wordt geschat op ruim 16 miljoen. Op 9 november hadden de burgemeesters in den lande al bericht ontvangen van “Zijne Excellentie den Minister van Oorlog”, die had besloten dat Nederland gedeeltelijk kon worden gedemobiliseerd.
Echter een andere “vijand” was in juli van dat jaar de Nederlandse grens overgekomen en verspreidde zich met een enorme snelheid door het land, namelijk de Spaanse Griep. In het laatste kwartaal had het virus het oostelijk deel van Zuid-Beveland bereikt. Vanaf juli van dat jaar was dokter Henri Hondelink de geneesheer te Waarde en Krabbendijke. Tussen haakjes: hij omschreef het karakter van de Oost-Zuid-Bevelander als “volhardend, onverzettelijk en conservatief”. Op 19 oktober sluiten de deuren, op zijn advies, van de school te Krabbendijke. Waarschijnlijk was dat ook in Waarde het geval. Al snel wordt dokter Hondelink zelf ook ziek en komt de voormalige geneesheer George Frederik Willem Geill te hulp (zie afbeelding 34).

Afbeelding 34: uit de Zeeuw van 28-10-1918.
Het aantal slachtoffers van deze verschrikkelijke oorlog wordt in België geschat op 115.000, waarvan 24.000 burgers. Het aantal slachtoffers door de Spaanse griep in dit land overtreft helaas dit aantal, namelijk (naar schatting) 282.000.
Volgens het Centraal Bureau voor Statistiek zijn er in Nederland 30.000 dodelijke slachtoffers van deze ziekte. Terwijl het aantal oorlogsslachtoffers wordt geschat op maximaal 5600. In Waarde (met 985 inwoners) zijn er naar schatting, op basis van oversterfte, een 10-tal slachtoffers: 19 mensen zijn dat jaar overleden waarvan 12 in het laatste kwartaal van 1918 (zie afbeelding 35). Één van de slachtoffers was de toenmalige predikant, Pieter Wijngaarden (zie afbeelding 36). Uit zijn woorden mogen we opmaken dat hij wist dat er een één strijd voorbij was, maar dat de andere was verloren.

Afbeelding 35

Afbeelding 36: uit De Zeeuw van 11-11-1918.
Bij het op papier zetten van dit deel van de geschiedenis van Waarde is dankbaar gebruik gemaakt van:
- Het archief van de gemeente Waarde, nu aanwezig bij de gemeente Reimerswaal.
- De krantenbank Zeeland.
- Het Zeeuws archief.
- Rilland-Bath en Waarde, Mirjam Louisse en Annette Kuiper
- Het verslag van het provinciaal comité tot hulpverlening aan vluchtelingen in Zeeland, augustus 1914 – 1 juli 1915.
Bijlagen:
Gedrukte ansichtkaarten uit de tijd van de mobilisatie, te beginnen in de voormalige dorpsstraat (nu Raadhuisstraat) voor de travalje van de smid Wondergem.
’T oude dorp met op de achtergrond de toen nog bestaande “vaete”. Deze waterdrinkput is net na de Eerste Wereldoorlog gedempt, toen kwam er een mooie plek vrij voor de muziektent (zie ook afbeelding 15). Het jongetje, met hoed, in het midden zien we ook op de foto op de eerste pagina.
De dorpstraat (nu Raadhuisstraat) met links de winkel van Maarten de Goffau.
Een lied geschreven door de toenmalige onderwijzer Willem Eliza de Jager, volgens de overlevering indertijd gezongen met de Belgische vluchtelingen.